Wilhelmus van Nassouwe

Wilhelmus van Nassouwe Ben ik van Duitschen bloed,
Het vaderland getrouwe Blijf ik tot in den doet;
Een prinse van Oranje Ben ik vrij onverveerd,
Den koning van Hispanje Heb ik altijd geeerd.

In godes vrees te leven Heb ik altijd getracht,
Daarom ben ik verdreven, Om land, om luid gebracht;
Maar God zal mij regeeren  Als een goed instrument,
Dat ik zal weder keeren In mijnen regiment.

Lijdt U, mijn onderzaten, Die oprecht zijt van aard;
God zal u niet verlaten, Al zijt gij nu bezwaard;
Die vroom begeert te leven, Bidt God, nacht ende dag,
Dat hij zij kracht wil geven  Dat ik u helpen mag,

Mijn schild en de betrouwen Zijt gij o God mijn heer;
Op u zo wil ik bouwen, Verlaat mij nimmer meer,
Dat ik toch vroom mag blijven, Uw die naar tallen stond,
De tyrannie verdrijven Die mij mijn hart door wondt.

Oorlof mijn arme schapen, Die zijt in grooten nood,
Uw herder zal niet slapen, Al zijt gij nu verstrooid;
Tot God wilt u begeven, Zijn heilzaam woord neemt aan,
Als vrome Christen leven, 't Zal hier haast zijn gedaan.

Wel Annemarieken

"Wel Annemarieken, waar gaat gij naar toe?
Wel Annemarieken, waar gaat gij naar toe?"
'kGane naar buiten al bij de soldaten!"
Hop-sa-sa, fal-la-la, An-ne-ma-rie!

"Wel Annemarieken, wat gaat gij daar doen?
Wel Annemarieken, wat gaat gij daar doen?" 
"Haspen en spinnen, soldaatjes beminnen!"
Hop-sa-sa, fal-la-la, An-ne-ma-rie!

"Wel Annemarieken, hebt gij er geen man?
Wel Annemarieken, hebt gij er geen man?"
"Heb ik geen man, ik krijge geen slagen!"
Hop-sa-sa, fal-la-la, An-ne-ma-rie!

"Wel Annemarieken, hebt gij er geen kind?
Wel Annemarieken, hebt gij er geen kind?"
"Heb ik geen kind, ik moete niet zorgen!"
Hop-sa-sa, fal-la-la, An-ne-ma-rie!