De wolf en de zeven geitjes

Maar de wolf holde terug naar 't huisje van de zeven geitjes en weer hoorden ze zijn; "Klop!-Klop!-Klop!"aan de deur. 'Wie is daar?"
"Ik ben het, jullie eigen  moedertje! Toe, doe gauw open, lievelingen! Ik heb voor ieder van jullie wat lekkers mee gercht! Toe doe nu open en zeur niet!
"Wij durven niet," zeiden de geitjes, "wij zijn zo vreselijk bang dat je de wolf bent!""Wel nee, liefjes, kijk maar eens door de reet onder de deur, dan kunnen jullie zelf zien, dat ik mooie witte poten heb!"
Weer ging het oudste geitje op zijn buikje liggen en keek door de reet. "Ja"zei het, "nu geloof ik toch werkelijk dat 't ons Moesje is; want ik zie vier witte poten" "Hoera!"riep het kleintje, "nu gaan we smullen!"en meteen schoven ze de grendels weg. Ach ach, hadden ze dat maar niet gedaan! Want nu vloog de deur open en de wolf stond met één sprong midden in de kamer!"O,o, wat schrokken die kleine geitjes! Het ene verstopte zich onder de tafel, het tweede onder 't bed, het derde in de oven, het vierde onder de waskuip, het vijfde in de kast, het zesde in de keuken en het zevende ( dat was hetzelfde kleintje dat zo'n zin  in lekkere dingen had!) kroop in de kast van de hoge staande klok.
Maar de wolf kreeg ze allemaal te pakkenen -hap!- slokte hij ze door- zó maar- met huid en haar! Alleen het allerkleinste dat in de klok zat--dàt vond hij niet.
(Groot sprookjesboek, uitgave "Margriet")