|
Een haantje en een hennetje
Een haantjen en een hennetje Die gingen samen op reis. Ze kwamen bij een hofstee aan, Daar waren de luiken nog toegedaan, "Hier weg!" zei de haan, "kom mee; Hier deugen ze niet voor het vee: De boer en de vrouw, de knecht en de meid Zijn lui en verslápen hun tijd."
Een haantjen en een hennetje Die gingen samen op reis. Ze kwamen aan een boerderij, Daar geeuwde de knecht en de meid erbij. "Hier weg!"zei de haan, "kom mee; Hier deugen ze niet voor het vee; De boer en de vrouw slaapt te láng, en de meid en de knecht, die vergápen hun tijd."
Een haantjen en een hennetje Die gingen samen op reis. Ze kwamen op een hof terecht, Daar dňrste de boer al met vrouw, meid en knecht. "Hier in!" zei de haan, "kom mee, 't is hier een paleis voor het vee; De boer en de vrouw, de knecht en de meid, Die passen precies op hun tijd."
|
|