Diversen

Dikkie en de Ganzen.

Dikkie loopt zich te vervelen.
Lieve deugd, wat toch gedaan?
Wacht, hij zal de ganzen jagen,
En ze met een stokje slaan.

Maar de gans denkt; "'t Is te mal toch,
Dat we bang zijn voor zo'n puk!"
En wijd met de vleugels klappend
Keert hij om zich met een ruk,

Blaast geweldig tegen 't ventje,
Slaat hem vierkant van de been,
Grijpt zijn pet en loopt zacht gakkend
Naar zijn ganzewijfje heen.

Och, wat schreeuwt nu onze Dikkie!
Maar de lust is hem vergaan,
Om van loutere verveling
Op de ganzen los te slaan.
C.J.C. Geerlings.

Wie zijn wij?

Wij hebben veren jasjes aan
En moeten steeds maar wagg'lend gaan.
We lopen op een rij,
De vleugeltjes op zij.

We praten soms; gigak, gigak,
Zo'n snavel is toch een gemak.
We snateren zo blij,

Buiten in de biezen
Lei een hondje dood,
Zijn staartje was bevroren,
Zijn billetjes waren bloot.
Toen kwam Jan de Slager,
Die zei: "Dat beest is mager
"toen kwam Lijsje Lonken,
Die zei: Dat beest is dronken"
toen kwam Kaatje Knorrepot,
Die zei: "Dat beest is stapelzot"
Toen kwam Thijs de Timmerman,
Die spijkerde 't hondje zijn staartje weer an.
Toen liep het hondje henen,
Met zijn staartje tussen de benen!