|
Tien te slim af.
Eens trok gigglend en gagglend een ganzenschaar, Al wigglend en wagglend met veel misbaar, Over 't vlonderken naar de vijverrand, Waar een vorsjen zong aan de waterkant; "van je kwekkerde-kwakkerde-kwek-kwak-kwik. De wakkerste kikker ben ik, ben ik."
En de gigglende, gagglende ganzenrij Kwam snett'rend en snaat'rend al dichterbij. En de voorste riep in het riet; "waar, waar Zit die schreeuwer toch van kwik hier, kwik daar? Ha, ik heb hem, hap!" 't was …..een groene lis; Het kwakertje schaterde; "Mik-mak-mis!"
Met een plons schoot de tewééde gans pardoes Van de wallekant in het eendekroes. "Wel, dat zal je lusten, ik, gik-gek-gak, Zal jou lachen leren, jou boevenpak!" Doch heur snavel sneed door een waterblom En 't vosjen zwom spottend voorbij; "Dim, dom!"
Maar nu kwamen de anderen, een stuk of acht, In het water en taterden: "Wik-wak-wacht; Thans is 't liedjen uit van je rik-rak-rok, Je verslinden zullen we, galgenbrok!" En acht bekken die rekten zich boos en bits En……beten elkaar in de nebbespits.
Toen riep d'een tot de ander: "Dat deed je er om!" 't werd een pikken en prikken en slaan weerom, tot de veren stoven uit kop en huid en ze vechtende vlogen de vijver uit. "Wat een schik heb ik," schalde 't vorsjen haar na. "Kom nog eens terug om een hapje, ja?" (Ha…! Lezen, W.G.van de Hulst en L. van der Zweep, door Margot Vos)
|
|