|
Mien en riek gaan met lien naar saar.
Riek; dag saar! Saar; dag riek! zo, ben jij hier? en is oom hier ook, lien? Lien; neen, saar, oom is hier niet. Saar; niet? En waar is oom dan? Lien; oom is in zijn vel. Saar; dat weet ik ook wel. Maar waar is zijn vel dan? Lien; dat vel is om zijn lijf. Saar; dat weet ik ook . maar waar is zijn lijf dan? Lien; zijn lijf zit in zijn goed. Saar; en waar is dat goed dan? -lien weet het niet meer- Lien; oom is in huis bij moe. Saar; en is oom toch hier? Lien; neen saar, hier ben ik. En hier zijn riek en mien. wij zijn hier. maar oom is bij moe. Saar; pas op, jij!
|
|