De Boer

Wij boeren en boerinnen, wij werken dag en nacht,
Wij ploegen en wij spinnen, En wij zingen uitermacht;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Wij spitten en wij spaaien, twalef maanden lang,
Wij zaaien en wij maaien, en wij zingen dezen zang;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Wij zieden alle dagen, 'sMorgens boekweipap,
Zoo vullen wij ons magen, en wij zingen even rap;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Wij gaan met houte blokken, En dikwijls zonder hoed,
Wij gaan met pije rokken, en wij zingen even zoet;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Wij bakken boekweiboeken, Die smaken ons zeer wel.
Wij dragen lijne broeken, en wij zingen even hel;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Wij gaan een pintje drinken, Zondags na den noen.
Wij dansen en wij klinken, en zingen in het groen;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Al wonen wij in huizenm Zonder muur of schouw,
Al kwellen ons de muizen, Toch wij zingen zonder rouw;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"

Gij edel en gij rijken, Wij zeggen u zeer vrij,
Wij willen u niet wijken, Want wij zingen altijd blij;
"Lieven Heer, kost en kleer, 't hemelrijk en dan niet meer!"