|
Zim-zam, zarretje, de bakker heeft een karretje, Het dekseltje gaat open, ik ga een koekje kopen. Zim-zam, zarretje, de bakker heeft een karretje, Het dekseltje gaat open, ik ga een snoepje kopen. Zim-zam, zarretje, de bakker heeft een karretje, Het dekseltje gaat open, ik ga een lollie kopen.
Zim-zam, zarretje, de bakker heeft een karretje, Het dekseltje gaat open, ik ga een broodje kopen.
|
|