De Visser / Varen /Visserij

Naar zee

Ferme jongens, stoere knapen
Foei! Hoe suffend staat ge daar!
Zijt ge dan niet wel geschapen,
Zijt ge niet van zessen klaar?
Schaam je jongens en ga mee
Naar de zee, naar de zee!

Dat 's een leven van plezieren
Dat 's een leven van stavast,
Zoo de wereld rond te zwieren
In het topje van de mast
Thuis te zijn op iedre ree
Kom ga mee naar de zee.

Laat ze pruilen, laat ze druilen
Laat ze schuilen aan het strand
Loopt Jan Salie op zijn muilen
Jan Courage kiest het want-
Hola Bootsman! Alles ree?
Wij gaan naar de zee!!

't schip  moet zeilen,                't scheepje ligt aan wal!
't schip moet zeilen ,                 't scheepje ligt aan wal!
We zeilen ja, we zeilen ja, van een twee drie,
We zeilen ja. We zeilen ja, van een twee drie,
En alle scheepjes zeilen ja, van een twee drie.

'n visser stond aan de plas te wachten met geduld.
Hij dacht; al heel gauw is m'n tas tot aan de rand gevuld.
En de visjes riepen luid; "Je krijgt ons er niet uit!"

Zo had hij al 'n keer gestaan en nog geen beet gehad.
Hij was van plan naar huis te gaan
Maar stil! Daar zag hij wat.
En de visjes riepen luid: "Je krijgt ons er niet uit!"

Opeens 'n ruk; Hij haalde op misschien een grote baars
Hij keek beteuterd; Wat een strop!
't was een oude laars.
En de visjes riepen luid; "Sliep uit, sliep uit, sliep uit!"