De Smid

Ben ik niet een arme smid

Ben ik niet een arme smid,
die met smeden zijn brood moet verdienen.
Dat gaat zo maar altijd voort,
alle dagen zo het behoort.
Van rikkede, tikkede, rikkedetik,
Van rikkede, tikkede, rikkedetik
Van rikkede tik.

Ben ik niet een flinke smid,
Die met vlijt zijn kost moet winnen;
Dat gaat zo maar altijd voort,
alle dagen zo het behoort.
Van rikkede, tikkede, rikkedetik,
Van rikkede, tikkede, rikkedetik
Van rikkede tik.
De Smid

Klop-pe, klop-pe, klop-klop,
Klop-pe, klop-pe, klop-klop!
'k Sla met mijn ha-mer er lus-tig-jes op!
En op een dag wel dui-zend keer,
Gaat er mijn ha-mer op en neer!
Rik-ke, tik-ke, tik-tik,
Rik-ke, tik-ke, tik-tik!
Smid-je ben jij nooit eens lui zoo-als ik?
Wan-neer ik langs kom, al-tijd weer,
Gaat er je ha-mer op en neer!
Klop-pe, klop-pe, klop-klop,
Klop-pe, klop-pe, klop-klop!
'k Hou met het wer-ken geen oo-gen-blik op:
'k Moet er toch zor-gen dat mijn kind,
Al-tijd op tijd z'n boot-ram vindt!
Paardje beslaan,
Wie heeft dat gedaan?
De smid vol roet, die kan dat zo goed,
Die hamert de ijzerkes onder de voet.