Schoorsteen-ve-ger, bes-te man, Vol met zwar-te vlek-ken. Veeg de schoor-steen als het kan. De ka-chel wil niet trekken. Kom toch gauw, we zitten in de kou, Kom toch gauw!
Met een be-zem aan 'n touw, klom hij op de da-ken. Om heel net-jes en heel gauw De schoor-steen schoon te ma-ken. Hij riep; "Boe!" naar beneden toe, "Boe, boe, boe!"
Klei-ne Rob-bie schrok! En keek door het gat naar bo-ven. Maar wat e-ven later bleek. Dat was haast niet te gelo-ven. Wat 'n roet zat er op z'n toet. Wat een roet!
Schoorsteenveger, zwarte man, Wat heb jij een vuil pakje an! Je moeder moet het wassen, Je zuster moet het bleken, Je vrouw, die moet het strijken, Je mag er zelf naar kijken, En als het klaar is, trek je 't an, Dan ben je weer een witte man!
Schoorsteenveger, zwarte man. Laat eens zien of je vegen kan! Klim met gemak op het dak, Gooi het roet maar in je zak.