De Schoenmaker

Schoenlappertje vetleer,
het vet loopt bij je kinnetje neer;
Lap ze maar, lap ze maar, lap ze maar net,
Dat ik ze aan mijn voetjes trek.
Zo steekt hij zijn naaldetje,
zo trekt hij zijn dradetje,
Zo slaat hij er de pen, de pen.
Denk je dat ik niet lappen ken?

Hakkeplak

Hak-ke-plak, ik schrik ervan
O, wat heb je't druk.
Kind-je lief wat is er dan
Is je schoen-tje stuk?
Klop, klop, klop,
klop, klop, klop,
klop, klop, klop.

Kijk maar e-ven naar m'n zool.
't is niet om te doen.
Neen, zo kan je niet naar school
Trek maar uit je schoen.
Klop, klop, klop,
klop, klop, klop,
klop, klop, klop.

't Ha-mer-tje  gaat op en neer. Boven op de zool.
Hier heb jij je schoen-tje weer
En nu gauw naar school.
Klop, klop, klop,
klop, klop, klop,
klop, klop, klop.

En waarom zou ik het dansen laten?

Omdat mijn schoens versleten zijn?
Jan Schoenlapper is mijn kozijn,
Hij legt daarop een lapje fijn,
Een lapje van rood laken,
- ( omdat mijn schoens zou'n kraken.)
Ik ga daarmee ten danswaart in
Ik zie, wat dat er ommegaat,
-( ik kieze menig keren)
ik kies daar een, die mij aanstaat.
-( en 't kiezen zal mij leren.)
Komt al dansen aan mijne hand,
Gelijk een dochter van eren